DutchVideo 2018

Abraham, Sara en Hagar werden rijkelijk gezegend

Dit is een boodschap Gods met een vergelijking. Het is goed niet te oordelen over ‘hen’ of over wie dan ook. (After clicking the video, wait for a moment until it plays.)

Gepubliceerd op 9 jul 2018 door Evangelical Endtime Machine International

Please share and do not change © BC

 

Volledige weergave:

Welkom! Op 9 juli 2018 werd de volgende boodschap Gods woord voor woord overgeleverd aan eindtijdprofeet van de laatste dagen, Benjamin Cousijnsen.

Shalom! Ik begroet u in de almachtige Naam van Yeshua HaMashiach, JHWH, Jezus Christus.

Voorwaar, 

Genesis 12, vers 2 en 3  Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

En Genesis 15, vers 1  Hierna kwam het woord des Heren tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn.
En vers 5 en 6  Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. En hij geloofde in de Here, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.

Genesis 16, vers 1 tot en met 16  Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar. En Sarai zeide tot Abram: Zie toch, de Here heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai. En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw. En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger; toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen. Toen zeide Sarai tot Abram: De krenking mij aangedaan, komt voor uw rekening; ik heb mijn slavin in uw schoot gegeven, en nu zij ziet, dat zij zwanger geworden is, ben ik verachtelijk in haar ogen; de Here doe recht tussen mij en u. En Abram zeide tot Sarai: Zie, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat goed is in uw ogen. Toen vernederde Sarai haar, en zij vluchtte van haar weg. En de Engel des Heren trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur. En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij? En zij zeide: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai. En de Engel des Heren zeide tot haar: Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand. En de Engel des Heren zeide tot haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden. Voorts zeide de Engel des Heren tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem Ismaël noemen, want de Here heeft naar uw ellende gehoord. Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen. Toen noemde zij de naam des Heren, die tot haar gesproken had: Gij zijt een God des aanziens; want, zeide zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet? Daarom noemt men die put: de put Lachai-Roï; zie, hij is tussen Kades en Bered. En Hagar baarde Abram een zoon en Abram noemde de zoon, die Hagar gebaard had, Ismaël. En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

En Genesis 17, vers 2 tot en met 5  Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken. Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem: Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb.

En Genesis 18, vers 1 tot en met 3  En de Here verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der tent zat. En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem; toen hij hen zag, liep hij hun uit de ingang van zijn tent tegemoet, en boog zich ter aarde; en hij zeide: Mijn heer, indien ik uw genegenheid gewonnen heb, ga dan niet aan uw knecht voorbij.
En vers 6 tot en met 15  Toen spoedde Abraham zich naar de tent tot Sara, en zeide: Haast u! Drie maten fijn meel! Kneed het en bereid koeken! En Abraham liep naar de runderen, nam een kalf, mals en goed, en gaf het aan een knecht, en deze haastte zich om het te bereiden. Ook nam hij boter en melk en het kalf, dat hij bereid had, en zette het hun voor; en hij stond onder de boom bij hen, terwijl zij aten. Toen zeiden zij tot hem: Waar is uw vrouw Sara? En hij zeide: Daar, in de tent. En Hij zeide: Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben. En Sara luisterde bij de ingang der tent, die zich achter Hem bevond. Abraham nu en Sara waren oud en hoogbejaard; het ging Sara niet meer naar de wijze der vrouwen. Dus lachte Sara in zichzelf, denkende: Zal ik wellust hebben, nadat ik vervallen ben, terwijl mijn heer oud is? Toen zeide de Here tot Abraham: Waarom lacht Sara daar en zegt: Zal ik werkelijk baren, terwijl ik oud geworden ben? Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn? Te bestemder tijd, over een jaar, zal Ik tot u wederkeren, en Sara zal een zoon hebben. Toen loochende Sara het: Ik heb niet gelachen, want zij was bevreesd; doch Hij zeide: Neen, gij hebt wèl gelachen.

Voorwaar, mijn naam is Blender, een bode engel Gods.

In deze tijd zou men ook kwaad gesproken hebben over Abraham en de slavin Hagar, en hen veroordelen en stenigen!
Voorwaar, God had een verbond met Abraham. Hoe men ook over hem sprak, hij deed Gods wil. En God zegende Abraham en Sara, en Hagar, de slavin. En Sara en Abraham waren reeds erg oud en hoogbejaard.

Voorwaar!
Als God een verbond had gesloten en een plan ermee had, kon men Abraham en Sara wel veroordelen, maar zij hadden het in gebed bij God gebracht, en wisten dat het Gods wil was. En zie, zij werden gezegend, al begrepen sommigen dit niet. Maar Abraham en Sara, en zelfs de slavin Hagar, werden rijkelijk gezegend! Het is goed om niet te oordelen over hen, of over wie dan ook; God is met hen. Amen!

Hebreeën 13, vers 8  Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

Amen!
Ik ga nu, Ruacha, Yeshu, Shalom! sprak Gods bode engel, en verdween.

En ook ik zeg u, Ruacha, Yeshu, Shalom! Gods zegen

 

Opmerking: Volledige tekstweergave voor doven, slechthorenden en anderstaligen
Use Google Translate and Bookmark it. Please share and do not change © BC
Vertalers in andere talen zijn zeer welkom

More messages on this website, also in English, Spanish, Portuguese, German, Filipino, Indonesian, Swahili, Surinamese, Korean, Polish and Russian!

Bron: Evangelicalendtimemachine.com